Een beetje historie:

Nederland heeft per 1-1-2006 een nieuwe Nederlandse zorgwet ingevoerd. Ook de in het buitenland wonenden, met  een wettelijk pensioen zoals AOW of een andere uitkering uit Nederland, vallen veelal onder deze wet en moeten voortaan een bijdrage aan Nederland betalen. Er is geen sprake meer van een keuzevrijheid om zich privé te kunnen verzekeren.  Het gevolg is dan ook een veel hogere bijdrage aan Nederland dan voorheen aan België. Het antwoord op deze maatregel:

Er werd een Stichting Belangenbehartiging Nederlandse Gepensioneerden in het Buitenland afgekort SBNGB opgericht. Voor België hadden de gepensioneerden en toekomstige gepensioneerden met uitkering uit Nederland in België zich als belangengroep verenigd door middel van een grote groep donateurs en sponsoren. Twee personen waren afgevaardigd in de SBNGB.:  F.H.J.J. Andriessen en J.C. Ramaer
In SBNGB hadden ook afgevaardigden van de belangengroepen van Spanje, Frankrijk en Portugal plaatsgenomen.


Alle donaties en gesponsorde bedragen komen uiteindelijk bij SBNGB, die de processen voerde en blijft voeren in het belang van alle gepensioneerden en toekomstige gepensioneerden met een wettelijk pensioen ( AOW e.d.) uit Nederland en woonachtig in de EU of verdragsland.

Ter informatie een korte omschrijving van onze stichting SBNGB  en haar doelstellingen.

Ten tijde van de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet op 1.1.2006 waren er over geheel Europa verspreid vele gepensioneerden die zich ernstig zorgen maakten over de uiterst negatieve gevolgen die de introductie genoemde wet voor onze doelgroep teweeg zou brengen. De voornaamste aspecten die zich daarbij aandienden waren o.a. de eenzijdige opzegging van de particuliere zorgverzekeringen, de daaruit voorvloeiende ontzegging van toegang tot de solidariteit, hoeksteen van de ZVW en een verworven recht waaraan wij gedurende ons werkzame leven onze bijdrage hadden geleverd, alsmede het verschijnsel van “dubbel betalen” in die landen waar het publieke zorgstelsel geheel of gedeeltelijk gefinancierd wordt uit de algemene middelen waaraan door de aldaar wonende Nederlanders via de inkomstenbelasting wordt meebetaald.

Uit de gesprekken die gevoerd werden met o.a. de betreffende vertegenwoordigers van de politieke partijen bleek dat bij het aannemen van genoemde wet door de 2e en de 1e Kamer de gevolgen van deze wet voor met name onze groep onvoldoende waren geëvalueerd. De spelregels voor diegenen die reeds vertrokken voor 1.1.2006 werden tijdens de wedstrijd drastisch gewijzigd met dikwijls zeer nadelige gevolgen en voor diegenen die daarna wilden emigreren betekende de wet in vele gevallen een grote belemmering in plaats van de beloofde verbeterde migratiefaciliteiten.

De eisen van de SBNGB waren :

  1. Geen door Nederland opgelegde aansluiting bij een ziekenkas in het woonland en dus ook geen verplichte melding onder dwang van een boete bij CVZ.
  2. Voortzetting van de eenzijdig opgezegde particuliere verzekeringen.
  3. Geen financieel voordeel ten koste van Nederland, maar ook geen hoge bijdragen voor de Nederlandse zorg waar de expats van zijn uitgesloten.
  4. Betere voorlichting.
  5. Opschorting van de toepassingswet en toetsing ervan aan het Europese Recht

Aangezien al meteen duidelijk werd dat de overheid en de politiek partijen onze bezwaren volstrekt niet ontvankelijk of zelfs maar bespreekbaar te wensten te maken  konden wij niet anders dan besluiten onze belangen via de juridische weg te behartigen. Daartoe hebben wij de hulp ingeroepen van het advocatenkantoor de Brauw, Blackstone Westbroek gevestigd in Amsterdam. Wij hebben inmiddels alle rechtelijk niveaus in Nederland en Luxemburg doorlopen gedurende de afgelopen 5 jaar.

In eerste istantie werd er een kort geding aangespannen.
In 2006 deed de Haagse rechtbank een uitspraak die de minister dwong tot invoering van de z.g. “woonlandfactor”. Daardoor gingen de bijdragen van de Nederbelgen met ca. 1/3 omlaag.
Er volgden drie procedures, waarvan twee vruchteloos. Dat gold ook voor vele stappen bij “politiek den Haag”. Tenslotte verwees de Centrale Raad van Beroep te Utrecht ons naar het Europees Hof van Justitie met twee vragen (kort samengevat):

  1. Staat het E.U. recht (verordening 1408/71) eraan in de weg dat Nederland een bijdrage heft in het geval dat een gepensioneerde zich niet heeft ingeschreven bij CVZ ?
  2. Is het heffen van een bijdrage in strijd met het beginsel van vrij verkeer (als vastgelegd in de art. 45 en 21 VWEU) ?

 
Het Hof oordeelde op 14 okt 2010 dat de in ad1 en ad2 genoemde bepalingen NIET in de weg staan van een nationale regeling die verplicht tot inhouding van een bijdrage – ook van diegenen die zich niet inschreven.
MAAR:
De betroffen expats mogen NIET minder gunstig worden behandeld dan de gepensioneerden die zijn blijven wonen in Nederland.
Omdat het gaat om nationale wetgeving, stelt het Hof een vraag aan de verwijzende nationale rechter, in casu de Centrale de Raad van Beroep.
Deze moet toetsen:

  1. Of de beëindiging van de verzekeringsovereenkomsten in 2005 dezelfde rechtsgevolgen heeft gehad voor ingezetenen als voor expats;
  2. Of de verzekeringsmaatschappijen een acceptatieplicht is opgelegd voor expats;
  3. Of deze maatschappijen zich ertoe hebben gebonden, op verzoek van de Nederlandse regering, ervoor te zorgen dat de “globale dekking” voor en na 2006 behouden bleef, en zoja of die verbintenis alleen voor ingezetenen of ook voor expats geldt.

De Centrale Raad van Beroep heeft dus huiswerk opgekregen op een aantal concrete punten. Die raken aan de kern van de zaak en dat is een positief resultaat. Immers, als er sprake is van discriminatie, zou het oordeel van het Hof n.a.v. de twee vragen van de Raad v. Beroep kunnen luiden dat de “...bepalingen WEL in de weg staan van de nationale regeling....”.

Zoals bekend prevaleert Europees recht boven nationaal recht.
Wat zou het gevolg kunnen zijn?

Zou de toepassingswet gewijzigd dienen te worden?
Moeten wij rekening houden met een nieuwe procedure, of kunnen wij volstaan met het verstrekken van gegevens?
Zouden wij een recht op compensatie kunnen krijgen?
Of zou de staat kunnen bewijzen dat er niet is gediscrimineerd? Dit lijkt twijfelachtig
Hoe lang zou een eventuele procedure gaan duren?
Kortom: na vijf jaren procederen en ruim 400.000 kosten (waarvan 120.000 door Nederbelgen bijgedragen) blijft er nog onzekerheid. De komende maanden moeten wat meer duidelijkheid brengen.
Bij dit alles moet worden bedacht dat er sinds 1 mei 2010 een nieuwe Europese verordening van kracht is. De uitspraak gaat dus over de discriminatie die de expats ondervonden in de periode van 1 januari 2006 tot 1 mei 2010. Deze uitspraak kan ook positieve gevolgen hebben voor een nieuwe toepassingswet.
De uitspraak beslaat niet minder dan 20 moeilijk leesbare pagina’s. Zie eventueel het persbericht.

De doelgroep:
Alle personen met een AOW wettelijk pensioen of uitkering uit Nederland of een toekomstig AOW wettelijk pensioen of uitkering uit Nederland. Dat kunnen zijn: vroegere ziekenfondsverzekerden - vroegere particulier verzekerden - grensarbeiders - genaturaliseerde Nederlanders en alle toekomstige gepensioneerden. Zij allen hebben of krijgen bij de huidige stand van zaken te maken met de verstrekkende gevolgen van de nieuwe  zorgverzekeringswet voor Buiten-Nederlanders. Die gevolgen kunnen groot zijn .


Eigenlijk zou de woonlandfactor nog verder verlaagd moeten.

Immers: 
* In Belgie is er een eigen bijdrage, remgeld genoemd, voor artsenbezoek, ziekenhuisopname, medicijnen etc.. Afhankelijk van de persoonlijke situatie kan dit remgeld oplopen tot ca.30%.

* In Belgie bestaat  de wet Maximum Factuur die het remgeld voor artsenbezoek ,ziekenhuisopname en medicijnen afhankelijk van het netto inkomen beperkt van EUR. 450,- tot maximaal EUR. 2.500,-/jaar . Het laatste bedrag bij een netto inkomen boven ca. EUR. 51.000,- /jaar. Zie elders op deze site

* Naast het standaard zorgpakket kan men tot 65 jaar bij diverse ziekenfondsen eventueel een particuliere aanvullende hospitalisaitie verzekering afsluiten die de extra kosten dekt bij een ziekenhuisopname zoals extra remgelden, extra erelonen voor artsen en andere verzorgenden bij een twee- of eenpersoonskamer en andere extra kosten  die door de wet maximumfactiuur niet worden vergoedt. Het is natuurlijk altijd aan te raden de polis van een dergelijke hospitalisatieverzekering  goed door te lezen. Of men een dergelijke verzekering voor zichzelf noodzakelijk acht is dan ook sterk persoonsgebonden. Zie voor de Wet Maximum factuur elders op deze site.

* Te bedenken valt verder het feit dat de betrokken NederBelgen die een zorgbijdrage aan Nederland betalen voor een deel ook via hun personenbelasting aan de zorg in Belgie bijdragen. Dit wordt echter voor een deel weer gecompenseerd door de fiscale aftrekbaarheid in Belgie.

* Kosten voor verpleegtehuizen, mantelzorg en rusthuizen moeten meestal volledig door de betrokkenen worden betaald. Kosten, die in Nederland grotendeels via de AWBZ zijn verzekerd. Neemt men deze kosten mee in de beschouwing dan zou een woonlandfactor van 0,2 voor België meer gerechtvaardigd zijn. Men spaart dan op de premie maar zal wel opdraaien voor de zgn. care kosten, wanneer men in een rust- of verpleeghuis terechtkomt of andere zorg behoeft.  De SBNGB was indertijd van mening dat de eigen kosten en het belastingdeel ook moeten worden meegenomen bij het berekenen van de woonlandfactor.

Door de uitspraken van de Raad van State op woensdag 25 april 2007 werden de beroepsschriften zowel voor het keuzerecht als voor de hoogte van de woonlandfactoren helaas niet ontvankelijk verklaard. De Stichting SBNGB en de diverse landenbelangengroepen cq verenigingen moesten opnieuw naar de rechter, en wel in Amsterdam. Er werden tien nieuwe proefprocedures ingediend over zowel het keuzerecht als de woonlandfactor.

De rechtbank Amsterdam is ingegaan op de inhoudelijke kant van de zaak, maar heeft de beroepen helaas verworpen. Tenslotte verwees de Centrale Raad van Beroep te Utrecht ons naar het Hof van Justitie zoals hierboven vernoemd.

Via het zgn. Tweede Front hebben enkele onafhankelijke advocaten uit de achterban voor eigen rekening enkele juridische procedures aangespannen betreffende de Nederlandse zorgwet. Die stellen dat het Nederlands recht niet op de pensionado's van toepassing is en zij daardoor geen verdragsgerechtigden kunnen zijn en zich in het woonland dus rechtstreeks als verblijvende kunnen aansluiten bij een sociale instantie.

Het stichtingsbestuur bestaat uit de volgende leden:

Prof. Mr. F.H.J.J. Andriessen (België)
H.Hendriks (Portugal)
Mr. J.P.J. Hueber (Spanje) secretaris
A. Kiffen RA (Spanje) penningmeester
Dr. J. Ramaer (België)
Drs. J. Vreeswijk (Frankrijk)
C.H. van der Wiel (Spanje) voorzitter