| Bericht van SBNGB: Ontvangen van onze advocaat:
Geanonimiseerde versie van de pleitnota en een samenvatting van onze argumenten tijdens de zitting . In de acht proefprocedures die aan de
Centrale Raad van Beroep zijn voorgelegd op 15
januari 2009 zijn grof gezegd twee beroepgronden
opgeworpen.
Nederland mag geen Zvw-bijdrage
inhouden op AOW uitkeringen gemigreerde gepensioneerden
die zich niet hebben ingeschreven bij ziekenfonds
woonland De eerste beroepsgrond komt er
kort gezegd op neer dat de Nederlands Staat niet bevoegd
is een Zvw-bijdrage in te houden op de AOW-uitkering van
gemigreerde gepensioneerden die zich niet hebben
ingeschreven bij de ziekenkas van hun woonland met een E
121 formulier. Naar verluid hebben circa 18.000
gemigreerde gepensioneerden zich niet ingeschreven. De
vraag of de Staat heffingsbevoegd is, hangt af van de
interpretatie van de Europese verordening 1408/71 die de
toepasselijkheid van sociale zekerheidsstelsel regelt. Het mechanisme van deze verordening
is als volgt. Gemigreerde gepensioneerden hebben op basis
van de verordening een recht op sociale zekerheid in
hun woonland. Zonder inschrijving bij de ziekenkas kan
dit recht niet worden geëffectueerd. Vanaf het moment
van inschrijving kan het woonland een forfaitair bedrag
in rekening brengen bij Nederland ter grootte van de
gemiddelde kosten voor zorg van gepensioneerden in het
woonland. Aangezien het een periodiek forfaitair bedrag
betreft, omgeacht de omvang en het niveau van de
daadwerkelijke verstrekkingen, ligt het
verzekeringsrisico dus helemaal bij het woonland. Het
forfaitair bedrag dekt het risico voor Nederland en werkt
daarmee op vergelijkbare wijze als een
verzekeringspremie. De stelling in de proefprocedures
is dat Nederland alleen mag heffen op grond van artikel
33 Vo. 1408/71 als de woonstaat kosten in rekening brengt
(dus pas na inschrijving). Juist omdat Nederland niet het
verzekeringsrisico draagt en binnen de systematiek van de
verordening het woonland geen kosten in rekening mag
brengen aan wie ook tenzij een inschrijving heeft
plaatsgevonden, is er geen enkele rechtvaardiging binnen
diezelfde systematiek om het pensioenland een free
ride ten laste van individuele gepensioneerden te
geven in situaties waar Nederland geen kosten draagt. CVZ heeft hiertegen in gebracht dat
inschrijving enkel van belang is voor het te gelde maken
van het recht op verstrekkingen. De bepaling over de
heffingsbevoegdheid van de pensioenlanden zou zo moeten
worden uitgelegd dat ongeacht de inschrijving een
bijdrage mag worden geheven. CVZ voert onder meer aan dat
de lezing van gepensioneerden speculatief gedrag in de
hand zou werken. De verschillende stelsels van de
lidstaten zouden een speelbal worden van de
gepensioneerden die naar believen daarin participeren. Het is echter onaannemelijk
dat juist gepensioneerden gezien hun leeftijd en het
daarmee gepaard gaande risico op zorgkosten, zouden
wachten met het afsluiten van een verzekering tot zich
daadwerkelijk een gezondheidsprobleem manifesteert.
Bovendien trekt Nederland hier onterecht de belangen van
de woonlanden aan. De belangen van de woonlanden dient
Nederland zich vanuit een EG-perspectief niet aan te
trekken. Een parallel kan worden getrokken met een arrest
van het Hof van Justitie uit 1998 (Gourmetterie Van den
Burg, zaak C-169/89). De Centrale Raad van Beroep zal
binnen 12 weken beslissen of over dit onderdeel wordt
voorgelegd aan het Hof van Justitie in Luxemburg door
prejudiciele vragen. Een nieuw argument dat in de
proefprocedures naar voren is gebracht is dat Nederland
ook niet bevoegd is te heffen aangezien Nederland de
heffingsbevoegdheid heeft weggeven in de bilaterale
belastingverdragen die gelden. Verdedigbaar is dat de
Zvw-bijdrage die wordt ingehouden op de AOW-uitering ook
kwalificeert als een belasting onder de
belastingverdragen. De definitie van een belasting is een
heffing die geen rechtstreeks verband houdt met een
voordeel zoals een verzekering (OESO-commentaar op
het OESO-modelverdrag voor bilaterale belastingverdragen).
Juist indien het standpunt van CVZ juist zou zijn dat de
Staat een bijdrage mag heffen van gepensioneerden die
niet zijn ingeschreven bij het ziekenfonds van de
woonland, dan vloeit daaruit voort dat de bijdrage als
een belasting moet worden aangemerkt. Het
belastingargument gaat echter ook op voor de gemigreerde
gepensioneerden die zich wel hebben ingeschreven bij het
ziekenfonds van het woonland. In een recent arrest van
het Hof van Justitie (Derouin, C103/06) is uitgemaakt dat
toepasselijke regels inzake sociale zekerheid niet in de
weg staat aan gelijktijdige toepassing van
belastingverdragen op diezelfde casuspositie. Op grond
van de toepasselijke belastingverdragen heeft het
woonland de bevoegdheid om over de pensioeninkomsten een
bijdrage te heffen en Nederland dus niet. Als gevolg
hiervan kan de Zwv-bijdrage niet door Nederland worden
geheven. Woonlandfactor in strijd met
gelijkheidsbegsinsel en kwalificeert als bestuurlijke
daad van willekeur Nu kijkt Nederland voor de woonlandfactor als correctie op de Zvw-bijdrage naar het verschil tussen de gemiddelde kosten voor zorg aan de gehele bevolking in Nederland en in het woonland. De gehele regeling van artikelen 28 e.v. Vo. 1408/71 is ingericht voor uitsluitend gepensioneerden. De woonlandfactor zou dus gebaseerd moeten zijn op een vergelijking van de gemiddelde kosten voor zorg aan gepensioneerden in Nederland met de gemiddelde kosten voor zorg aan gepensioneerden in het woonland. Deze discrepantie tussen de berekeningsgrondslag voor de forfaitaire bijdragen en de correctie op de Zvw-bijdrage is in de proefprocedures aan de kaak gesteld.
CVZ heeft aangevoerd dat de
berekeningsgrondslag van de woonlandfactor enkel
terughoudend getoetst mag worden en dat bij een beperkte
toets geen sprake is van strijd met enig beginsel van
behoorlijk bestuur. De woonlandfactor is ingevoerd
nadat de oorspronkelijke bijdrageregeling in kort geding
als onmiskenbare schending van het gelijkheidsbeginsel is
aangemerkt. Het
kortgedingvonnis heeft de Minister de mogelijkheid
geboden de ongelijke behandeling te repareren. De ernst
van de schending van het gelijkheidsbeginsel van de
regeling waarin de woonlandfactor is opgenomen, is
lager dan die van de oorspronkelijke regeling. Dit neemt
echter niet weg dat de rechtbank ook de reparatieregeling
inhoudelijk had moeten toetsen.
De Centrale Raad van Beroep doet binnen 12 weken na het pleidooi een uitspraak over dit onderdeel van geschil. |