STICHTING BELANGENBEHARTIGING NEDERLANDSE GEPENSIONEERDEN IN HET BUITENLAND (SBNGB).

Epiloog van een proces dat nooit gewonnen kon worden

Bij de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet op 1.1.2006 werd de  verdrags-gerechtigden (geëmigreerde Nederlandse gepensioneerden binnen de verdragslanden met inkomen uit Nederland) hun particuliere ziektekostenverzekering ontnomen en werden zij gedwongen zich in te schrijven bij de publieke zorg van hun woonland. Ter dekking van de daaruit ontstane kosten werd bij hen een plaatsvervangende premie ingehouden op hun pensioenen, AOW,  lijfrentes etc. 
Eind 2005 werd door de Stichting een Kort Geding aangespannen tegen de Nederlandse verzekeraars om te voorkomen dat daadwerkelijk op 1.1.2006 die opzeggingen plaats zouden vinden; het betrof immers een privaatrechtelijke overeenkomst. Ëén verzekeraar deed ter zitting een aanbod waarvan de rechter aannam dat daarmee de problematiek zou worden opgelost. De rechter sprak tijdens de zitting de mening uit dat de verkeerde partij gedagvaard was aangezien zijns inziens de overheid de veroorzaker was.
 Tijdens de Kamerdebatten beloofde de minister van VWS ervoor zorg te dragen dat verzekeraars verzekeringen zouden aanbieden die het per woonland aanwezige pakket in de publieke zorg zou ophogen naar het niveau van het Nederlandse basispakket. Verzekeraars weigerden dat, immers de implementatie daarvan was bedrijfseconomisch onverantwoord. VWS heeft, ondanks vroegtijdige inbreng onzerzijds, volledig nagelaten hierop toe te zien zoals uiteindelijk jaren later volmondig en bij herhaling werd toegeven  voor het EU Hof van Justitie.
 Wel werden als vermeend substituut de z.g. aanvullende verzekeringen uitgebracht, echter de premies en de voorwaarden daarvan waren volstrek onrealistisch. Immers de verdragsgerechtigden waren uit de zorgsolidariteit gestoten en moesten op die 65+ risicobasis hun eigen verzekeringsbroek ophouden, wat tot onaanvaardbare premies leidde. Bovendien was daarin  de z.g.  “samenloopclausule”  opgenomen die de verzekering in feite tot nul en generlei waarde degradeerde.
Ingehouden plaatsvervangende premies voor de lokale publieke zorg stonden in geen enkele relatie tot de kwaliteit voor de daarvoor geboden zorg: Griekenland en Zweden  zijn onvergelijkbaar in deze, maar verdragsgerechtigden betaalden wel hetzelfde.
De Stichting slaagde erin voor de rechter af te dwingen dat de inhoudingen per land werden aangepast aan de uitgaven voor publieke zorg per woonland. De woonlandfactoren ontstonden daardoor, die later als zodanig werden opgeëist door de overheid ten bewijze van hun zorgvuldigheid. Vanaf dat moment besparen verdragsgerechtigden  b.v. in Spanje iedere maand € 100,00 hetgeen sinds onze actie begon nu al tot meer dan € 8.000 is opgelopen.
In veel verdragslanden wordt de publieke zorg betaald uit de algemene middelen waardoor iedere belastingplichtige via de IB zijn bijdrage aan de publieke zorg betaalt. Genoemde inhoudingen voor diezelfde zorg betekenen dus voor de verdragsgerechtigden een dubbele betaling.
De overheid erkent dit ernstige probleem maar verschuilt zich gemakshalve achter een gebrek aan voldoende fiscale harmonisatie en coördinatie binnen de EU en sluit de discussie met de mededeling namens het Ministerie van Financiën: op grond hiervan kan helaas geen oplossing geboden worden hoewel ik begrip heb voor deze onwenselijke situatie”.
Daarna kwam onze zaak voor de Raad van State, het hoogte rechtscollege voor het bestuursrecht. Tevens is dit instituut het adviesorgaan van de overheid voor het toetsen van nieuwe wetgeving dat niet lang daarvoor dezelfde ZVW die wij bestreden, had goedgekeurd. De slager die eigen vlees keurt, zoals juist op dit moment weer actueel is gezien de voorgekookte politieke benoeming van de nieuwe vicevoorzitter van dit orgaan.
Na herhaald uitstel van het vonnis en uiteindelijk een vol jaar later werd onze eis niet ontvankelijk verklaard; wij hadden geprocedeerd op basis van een “aanwijzing” (aankondiging van inhouding) maar hadden dit moeten doen op grond van een “besluit” (rekening van de uiteindelijke inhouding). Dit vonnis werd later in gerechtelijke kringen gekwalificeerd als rechtsweigering. Het ergste dat een rechtbank kan overkomen.
Daarna werd de zaak doorverwezen naar de Rechtbank in Amsterdam. Daar stond centraal o.a. art. 33  VO 1408: wanneer het woonland niet belast aan het pensioenland (NL), mag het pensioenland niet inhouden; er behoeft immers niet betaald te worden. De voorzitter stelde de vraag aan CVZ hoe dit artikel anders geïnterpreteerd kon worden dan dat eisers dat deden; hij persoonlijk kon er zich niets anders bij voorstellen. Resultaat: over het art. 33 werd in het vonnis niet gerept.
Uiteindelijk belandden we bij de Centrale Raad van Beroep; de Hoge Raad voor het bestuursrecht. Daar werd uiteindelijk beslist dat over onze zaak prejudiciële vragen gesteld zouden worden aan het EU Hof van Justitie in Luxemburg. Zeer onprettige bijkomstigheid en ontdekt door een procederende appellant, was dat de helpdesk van CVZ geruime tijd vóór publicatie van het vonnis al op de hoogte was van de inhoud daarvan.
Inmiddels kregen wij na uiterst gedegen onderzoek de onvoorwaardelijke steun van de Ombudsman die persoonlijk de minister benaderde teneinde de aandacht te vestigen op de onrechtmatigheid van de gevolgen van de ZVW voor onze doelgroep. Zijn oproep bleef onbeantwoord hetgeen de arrogantie van de macht nog eens onderstreept.
In haar vonnis meldde het EU Hof dat tijdens de hoorzitting er duidelijke aanwijzingen waren geconstateerd die mogelijk op discriminatie van onze doelgroep zouden kunnen wijzen. De Centrale Raad van Beroep werd opgedragen dat te onderzoeken en eventueel de gronden voor die discriminatie weg te nemen.  Immers het EU Hof kan niet zelf ingrijpen in wetgeving. Opgemerkt dient te worden dat aan het einde van de zitting de advocaat van de staat desgevraagd volmondig moest beamen dat “de overheid op geen enkel moment zich ook maar enige rekenschap had gegeven van wat de consequenties van de invoering van de ZVW zouden zijn voor de verdragsgerechtigden”. Dat geeft al het niveau van zorgvuldigheid van de overheid aan.
Genoemde opdracht tot onderzoek aan de C.R.v.B. leidde uiteindelijk tot het vonnis van 13 december waarop we wat meer gedetailleerd ingaan. Nogmaals gesteld: het ging uitsluitend en alleen over de vraag of de Nederlandse overheid de verdragsgerechtigden op 1.1.2006 in een discriminatoire positie had geplaatst.
Wij lezen in het vonnis:
Dat achteraf bezien wellicht sprake is geweest van een zekere mate van bestuurlijke naïviteit, maakt niet dat moet worden geoordeeld dat sprake is geweest van de vooropgezette bedoeling van de Nederlandse regering om ingezeten en niet ingezeten verdragsgerechtigden (ongerechtvaardigd) ongelijk te behandelen.
Kort gezegd komt het erop neer dat de overheid zich iedere onrechtmatigheid kan veroorloven zolang maar niet bewezen kan worden dat er van opzet sprake is.
 Al datgene dat gedurende 6 jaar en ten koste van vele tonnen geld door ons is aangedragen als bewijs van discriminatie wordt afgedaan met “een zekere mate van bestuurlijke naïviteit waarbij van opzet geen sprake is geweest”. Een overheid die op het zo essentiële gebied van toegang tot gezondheidszorg, in tegenstelling tot de residenten van Nederland,  haar geëmigreerde gepensioneerden berooft van hun solidariteitsbijdrage waaraan ze hun hele leven lang hebben bijgedragen.
Die naïviteit had wel tot gevolg dat ze in een klap verlost waren van al die dure gepensioneerden en dat de vele tientallen miljoenen die op de balansen van de verzekeringsmaatschappijen voor ons waren gereserveerd aan diezelfde verzekeraars werden geschonken, zodat deze met peperdure advertentiecampagnes elkaar een paar euro´s konden afsnoepen op de basispremie bij de introductie van de ZVW met de bedoeling op deze manier de nieuwe wetgeving beter te kunnen “verkopen”
Naïviteit? Nee, gecalculeerde opzet. Wij verwijzen naar de brief van de heer Wiegel, toenmalig voorzitter van de koepelorganisatie van Zorgverzekeraars Nederland van 16 december 2005  aan de leden van de vaste Commissie voor Volksgezondheid Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten – Generaal. waarvan toen ook mw.  Wij citeren:

Gegeven het bovenstaande heeft bij de zorgverzekeraars dan ook de idee postgevat dat de wettelijke bepalingen zodanig zijn ingevuld, dat men als verzekeraars wordt opgezadeld met een problematiek die men niet zelf heeft veroorzaakt, maar waar men wel mee geconfronteerd wordt, zonder dat men in de mogelijkheid verkeert om alle partijen daarbij te contenteren.

Wij dachten er goed aan te doen u van deze cri-du-coeur van de zijde van de zorgverzekeraars op de hoogte te stellen. Zou de wetgever fundamenteel tegemoet willen komen aan de zorg en de wensen van de landgenoten, die in het buitenland woonachtig zijn, dan is in deze brief een concreet voorstel verwoord. Het is aan de volksvertegenwoordiging samen met de regering hierover een besluit te nemen, al was het alleen maar als overgangsmaatregel voor de specifieke groep van verzekerden die zich thans gedupeerd voelen door de invoering van de Zorgverzekeringswet.

Deze brief is in het bezit van de Centrale Raad van Beroep maar niettemin spreekt deze in haar vonnis van een “niet opzettelijke bestuurlijke naïviteit”.

Toen wij van onze instemming met deze brief  betuigden bij de directie van ZN werd ons geadviseerd deze maar beter direct weg te gooien, want dit schrijven was slechts bedoeld voor de “Bühne” maar zou verder van geen enkele invloed zijn op het te voeren beleid.  ZN dekte zich hiermee in tegen mogelijke repercussies. Was ook hier van bestuurlijke naïviteit sprake?

Met de wetenschap van bovenstaande brief schrijft de persrechter van de Centrale Raad van Beroep: “de enige mogelijkheid voor de pensionado´s is nog naar de burgerrechter te stappen”. Tegen wie?  Weer de verzekeraars??

Deze uitspraak ondermijnt volledig het vertrouwen in de bestuursrechtspraak die de burger de mogelijkheid zou moeten bieden bij een objectieve rechter  zijn recht te halen indien de overheid hem of haar onrecht aandoet, maar op deze manier verwordt tot een instituut dat de burger moet bewijzen dat de staat altijd gelijk heeft. De geschetste gang van zaken bevestigt onze aanhef: Dit was een proces dat nooit gewonnen kon worden. In de verwachting dat dit wél mogelijk zou moeten zijn, is het bestuur van de stichting naïeve gebleken.

Het bestuur.

 

70.000 GEPENSIONEERDEN BEDROGEN

Stel U eens voor: U had een goede particuliere medische kostenverzekering. In Uw jonge jaren betaalde U meer dan wat U toen gemiddeld kostte aan medische behandelingen. Aldus werd een spaarpot gevormd voor de ouderdom wanneer U hogere medische kosten zou hebben.

De overeenkomst was onopzegbaar o.a. om uit te sluiten dat de verzekeraar de overeenkomst zou opzeggen als U met het verstrijken van de jaren duurder werd.

.......En toen greep de Nederlandse verzorgingsstaat in! Iedereen moest verplicht in de Zorgwet.

Alle particuliere verzekerings-contracten werden opgezegd door de verzekeraars per 1 januari 2006. Men kwam onder de volksverzekering van “de Zorg”. Het spaarpotje uit de jonge jaren verdween.....

De medische- en zorg-voorzieningen in Nederland waren echter van een zodanig niveau dat de voorheen particulier verzekerden er nauwelijks op achteruit leken te gaan. Men was niet ontevreden – voorlopig althans.

De ca. 70.000 gepensioneerden in het buitenland met een in Nederland uitbetaald pensioen en AOW  vielen onder een Nederlandse zorg-toepassingswet. De expat-gepensioneerden werden verplicht zich in te schrijven bij een ziekenfonds van hun woonland – op straffe van een boete.

Nederland zou zogenaamd “de kosten van medische behandeling in het woonland” betalen. In feite was dat de dekking van de minimum sociale verzekering in dat woonland.

De expat gepensioneerde moest natuurlijk “bijdragen” en dit geschiedde in de vorm van een aftrek van zijn in Nederland uitbetaalde pensioen en AOW. Deze bijdrage wordt bij ministerieel decreet vastgesteld en zij is aanzienlijk hoger dan de bedragen die Nederland aan de woonlanden betaalt.

De bijdrage wordt berekend op een kafkaesk ingewikkelde manier met dito onzekerheid en verwarring tot gevolg – “service” aan oude mensen.....

Er gaapt in vele landen in Europa een groot gat tussen die minimale sociale verzekeringen en het zorgniveau in Nederland. Kan men bij-verzekeren? Voor gepensioneerden is dat exorbitant duur, of onmogelijk wegens leeftijd en/of  medisch dossier. De Nederlandse “Zorg” laat de aldus gedupeerde in de kou staan. Hij zou eventueel terug kunnen verhuizen naar Nederland. Dat doen velen omdat zij geen keus hebben, blijven wonen buiten Nederland is te duur geworden – over vrijheid van vestiging gesproken als grondrecht van de Europese Unie.

Bij de behandeling in de kamer zegde de minister bij herhaling toe dat de expat-gepensioneerden “gecompenseerd” zouden worden voor het verlies in dekking. In een motie, o.a. ingediend door mevr. Schipper, thans minister, werd ongerustheid uitgesproken. Er gebeurde niets. Het grote gat in dekking bleef bestaan.

Onder dwang van een uitspraak van de Haagse rechtbank in een proces van de expats tegen de staat werd de “bijdrage” gecorrigeerd met een “woonlandfactor”,(niet correct berekend door de staat). In België betekende dit een besparing met ca. één-derde op de “bijdrage” aan Nederland; in andere landen meer. Echter, in de meeste landen betaalt men in feite dubbel of meer als gevolg van belastingen en het z.g. “remgeld” .

Het was zonneklaar dat de expat-gepensioneerden gediscrimineerd werden vergeleken met degenen die in Nederland wonen. Zij werden gedwongen een veel slechtere dekking te aanvaarden die veel duurder is – in vele gevallen 2 tot 3 keer zo duur.

In zes jaren voerden de expats zes processen ten koste van meer dan een half millioen Euro - tot aan  het Europese Hof. Dat stelde vragen: “Was er sprake van discriminatie?!” Een nieuwe vraag!

De Nederlandse rechter moest de vraag beantwoorden...

Na uitstel om onduidelijke redenen kwam de uitspraak eerst op 13 december 2011 en deze luidde o.m.:

“Dat achteraf bezien wellicht sprake is geweest van een zekere mate van bestuurlijke naviteit, maakt niet dat moet worden geoordeeld dat sprake is geweest van de vooropgezette bedoeling van de Nederlandse regering om ingezetenen en niet ingezetenen verdragsgerechtigden (ongerechtvaardigd) ongelijk te behandelen.”

Kortom: Bewijs dat er sprake is van opzet, en zolang dat niet kan worden bewezen, is er geen sprake van onrechtmatigheid. Hiermee is de overheid wel verlost van grote verplichtingen en kunnen de verzekeraars de spaarpotten van de gepensioneerden behouden.

Tegen de uitspraak is geen beroep mogelijk.

Door de burgerrechter van de Centrale Raad werden de expats verwezen naar de burgerrechter – en daarmee naar de verzekeraars als tegenpartij. De staat kan geen blaam treffen – zou dat teveel kosten?

Hoe dan ook: na zes jaren duurt het bedrog van 70.000 gepensioneerden voort.

 

Mr. F.H.J.J. Andriessen                                                Dr. J.C. Ramaer                 December 2011